Aan het eind

Aan het eind

23 juni 2022 3 Door Bonnie

Morgen is het zeven weken geleden sinds mijn operatie. Terugblikkend moet ik toegeven, dat ik mezelf toch wel heb overschat en de ingreep onderschat. Niks nieuws eigenlijk, want: Aard van dit beestje. Zal ik het dan ooit leren?

Ik mag dan optimistisch zijn en er in de meeste gevallen positief met goede moed tegenaan willen gaan, dat pakt echter nogal eens anders uit. In mijn hoofd is die Wil er wel, maar mijn lijf dat daaronder bungelt heeft daar maling aan. Sterker nog, dat gaat er tegenin.

In de afgelopen weken was dat zoiets als: jaja, je kan die beweging nou wel willen maken, maar daarvoor zitten de hechtingen toch echt te strak: voel maar!. Of: Knap hoor, dat je de hele dag niet op het bed hebt gelegen en alleen maar hebt gehangen of geprobeerd hebt te zitten, maar dan krijg je nu toch echt een dagje spierpijn. 

Naarmate de weken verstrijken, is mijn geduld soms ver te zoeken. Dan ben ik het ineens beu om alleen maar aan huis gebonden te zijn en het niet eens red om naar de dichtstbijzijnde winkel, vijfhonderd meter verderop, te wandelen voor een boodschapje. Misschien is dat, omdat ik echt per dag vorderingen merk en bedacht heb dat nu echt het eind in zicht is. En ja, dan wil ik weer van alles  te snel en te veel.

Gaandeweg heb ik, van de dertig stuks, de meeste hechtingen zelf los weten te frutselen (zeg maar niets, dat heeft Don al genoeg gedaan…) Er zit nog een enkele op nietpeuterbare plekjes, dat is dan maar zo. Ik heb al aardig wat speling 😉 Verder zit hier en daar een klein wondje dat nog even dicht moet groeien, maar over het algemeen ziet het er netjes uit als een keurig staaltje patchwork. Ik ben er blij mee! Ook met het feit dat met dit resultaat, mijn (onder)kleding nu eindelijk als normaal past.

Afgelopen week had ik nog wel een terugslag. Zomaar ineens out of the blue werd ik ‘s nachts overvallen door hevige buikpijn en misselijkheid. Precies zoals ik ergens aan het begin van mijn thuiskomst ook had. Zelf denk ik dat mijn darmen -en daardoor met name stoma Zakkelien- van slag zijn door veel te weinig (en dan ook nog eens te eenzijdig) bewegen. Alles stagneert en lijkt te protesteren. Mijn lichaam wil er dan van alles uitgooien of afstoten. Dat is goed gelukt, kan ik wel stellen. Een dag later was ik weer kiplekker en kon ik als het ware met een schone lei/lijf opnieuw beginnen.

Jammer dat ik die nieuwe start niet een week eerder heb kunnen maken. Want: Mijn belofte om nog bij onze zieke vriend langs te gaan, heb ik vorige week helaas niet waar kunnen maken. Ik schreef twee weken geleden over hem in mijn blog “Met Pijn“.

Gelukkig hebben we elkaar nog wel telefonisch kunnen spreken, maar helaas scheidden daags daarna onze wegen.
Wat ben ik dankbaar met de gegeven kracht en dat ik zover was opgeknapt, zodat het mogelijk was om gisteren aanwezig te mogen en  kunnen zijn bij zijn prachtige, liefdevolle, warme afscheidsceremonie.

Aan het eind van dit alles, doet mij dat vandaag nog even denken aan een afcheidsverhaal van Toon Tellegen, uit diens bundel “Toen niemand iets te doen had”

OP EEN DAG NAM DE MIER AFSCHEID VAN DE EEKHOORN

‘Ik ga voor geruime tijd op reis,’ zei hij, ‘maar ik weet niet voor hoe lang. Ik neem dus maar zo afscheid dat het ook voor heel lang kan zijn.’ 
Zij schudden elkaar vijf keer de hand en omhelsden elkaar ook zoals het bij een afscheid voor lange tijd hoort. ‘Laat je nog eens iets van je horen?’ vroeg de eekhoorn. De mier had zich al omgedraaid en riep, terwijl hij langs het bospad liep: ‘Ja!’

Even later was hij uit het gezicht verdwenen en bleef de eekhoorn alleen achter. Wat zou het voor een reis zijn? dacht hij. Maar hij wist hoe weinig je kon zeggen van reizen die nog moesten beginnen. Niet lang daarna ontving de eekhoorn een brief.

Beste Eekhoorn,
Ik ben nu volledIg op reis. Ik heb je beloofd dat ik iets van mij zou laten horen. Als je straks een uitroepteken leest laat ik iets van mij horen.
Lees je goed? Let op!

Op dat moment klonk er een zacht gefluit dat onmiskenbaar het gefluit van de mier was. 
‘Mier!’ riep de eekhoorn opgetogen. Hij draaide de brief om en om, keek tussen alle letters en toen in de envelop op de grond, maar er was geen spoor van de mier te bekennen. Hij begon opnieuw te lezen, en weer hoorde hij, toen hij het uitroepteken las, hetzelfde zachte gefluit. Als hij lang naar het uitroepteken keek kon hij zelfs een liedje herkennen dat de mier dikwijls floot. Hij deed de brief in de envelop en legde hem op tafel naast zijn bed. 

Hij moet heel ver weg zijn, dacht de eekhoorn, maar hij denkt aan mij!
De zon scheen en de eekhoorn ging op de tak voor zijn deur zitten. Maar telkens stond hij op en ging hij naar binnen om de brief opnieuw te lezen, en telkens als hij bij het uitroepteken kwam hoorde hij weer het zachte fluiten van de mier die van ver weg iets van zich liet horen. En telkens schudde de eekhoorn zijn hoofd, glinsterden zijn ogen en dacht hij: mier, mier!